Plattelandswoning: eerste uitspraak Raad van State

Op 1 januari 2013 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gewijzigd door de invoering van de Wet plattelandswoningen. Deze wet maakt burgerbewoning van agrarische bedrijfswoningen mogelijk. Burgerbewoning van agrarische bedrijfswoningen was immers niet toegestaan. Bovendien blokkeerde burgerbewoning vaak de uitbouw van het bijbehorende agrarisch bedrijf. Ook hiervoor biedt de wet een oplossing.

Wat houdt de wettelijke regeling nu precies in?
De wet voorziet er in dat het planologische regime  - en dus niet langer het feitelijk gebruik - bepalend is voor de bescherming die een woning geniet tegen milieueffecten. Daarnaast wordt in de wet geregeld dat (voormalige) agrarische bedrijfswoningen (tevens) door derden mogen worden bewoond. De wet regelt dat deze woningen niet worden beschermd tegen milieugevolgen van het bijbehorende bedrijf.

Belangrijke uitspraak door de Raad van State
Op 24 juli 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Raad van State) een belangrijke uitspraak gedaan over de regeling van een plattelandswoning in een bestemmingsplan. In deze zaak ging het om een woning bij een agrarisch bedrijf die in het bestemmingsplan Buitengebied was aangeduid als plattelandswoning. De gemeente legaliseerde daarmee een al langer bestaande illegale situatie. De Afdeling oordeelde (als eerste) dat de als “plattelandswoning” aangewezen woning geen bescherming krijgt tegen eventuele hinder van het bijbehorende agrarisch bedrijf en (ten tweede) dat daarmee het burgergebruik van de woning de exploitatiemogelijkheden van het bijbehorend agrarisch bedrijf niet belemmert. Tot zover sluit het oordeel van de Raad van State aan bij de Wet plattelandswoningen.

Aanduiding “plattelandswoning” zegt genoeg
Opvallend is echter dat de Raad van State - op grond van de Wet plattelandswoningen - oordeelde dat er vanwege de aanduiding “plattelandswoning” van moet worden uitgegaan, dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij die woning. Een nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat van de plattelandswoning is daarmee niet nodig. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan op voorhand worden aangenomen vanwege de aanduiding “plattelandswoning”. Waarom dit zo is motiveert de Raad van State niet.

Voldoen aan wettelijke afstandsnorm
Verder oordeelde de Raad van State dat voor agrarische bedrijven in de buurt van de aangewezen plattelandswoning de wettelijke afstandsnorm geldt. De afstandsnorm is op grond van de Wet geurhinder en veehouderij 50 meter. Als de afstand van een plattelandswoning tot een nabijgelegen bedrijf meer dan 50 meter is, dan moet, behoudens bijzondere omstandigheden, worden aangenomen dat er bij de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wat “bijzondere omstandigheden” zouden kunnen zijn wordt niet toegelicht. Toepassen van de afstandsnormen zou betekenen dat, ook bij nabijgelegen bedrijven, geen onderzoek naar het woon- en leefklimaat (meer) vereist is. Het is volgens de Raad van State voldoende wanneer aan de afstandsnorm wordt voldaan.

Mogelijke nadelen voor agrarische bedrijven
Voor agrariërs kan het nadelig zijn indien een bedrijfswoning die eerder bij het bedrijf hoorde de aanduiding plattelandswoning krijgt. Ook burgers worden in dat geval in staat stelt 'losgekoppelde' agrarische bedrijfswoningen in het buitengebied te kopen. In het geval dat een nieuwe bewoner een civielrechtelijke procedure start vanwege overlast die door het bedrijf wordt veroorzaakt kan dit nadelig uitpakken voor het nabijgelegen agrarische bedrijf.

De Raad van State heeft nu voor het eerst de regeling van een plattelandswoning in een bestemmingsplan getoetst. Deze uitspraak is van groot belang voor agrarische bedrijven en nabijgelegen woningen.